Verrekening bij Faillissement

 

De juristen van De Raadgevers krijgen vaak vragen omtrent het verrekenen van onderlinge vorderingen en schulden en dan met name indien sprake is van een faillissement. Hoe gaat u daarmee om?

Verrekening door een schuldeiser van een vordering op en met een schuld aan een gefailleerde is alleen dan toegestaan indien de vordering en de schuld zijn ontstaan vóór faillissementsdatum. Het gaat dan om zowel uw eigen vordering en schuld, als de vordering en schuld van de ander. Mocht één van deze aspecten na faillissementsdatum zijn ontstaan, is verrekening niet toegestaan.

Als echter de schuld aan of de vordering op de gefailleerde voor de faillietverklaring van een derde wordt overgenomen, dan mag de schuldeiser niet verrekenen als hij niet te goeder trouw is geweest. Een schuldeiser is niet te goeder trouw, als hij op het moment van de verrekening wist dat het faillissement was aangevraagd.

Dit is ook niet zo lang geleden bepaald in een uitspraak van het gerechtshof te Den Bosch. Hierin was sprake van een bestuurder van een failliete vennootschap, die haar inventaris en productiemiddelen anderhalf jaar voor het faillissement had verkocht aan de holdingmaatschappij die bestuurt werd door dezelfde persoon. De koopprijs werd vervolgens verrekend in rekening-courant met een vordering die de holding had op de failliet. De verkoop van de productiemiddelen gebeurde op een moment dat de vennootschap al twee jaar zware verliezen draaide, er geen omzet meer werd gegenereerd en de bank haar krediet opgezegd had.
De later aangestelde curator stelde dan ook dat de verrekening van de koopprijs in rekening-courant niet te goeder trouw was geweest en dat de bestuurder en de holding wisten, althans behoorden te weten, dat de schuldeisers van gefailleerde hierdoor werden benadeeld. Hij vorderde onder andere betaling van de koopsom aan de faillissementsboedel.

De rechtbank volgde deze redenering. Op grond van de feiten en omstandigheden hadden, volgens de rechtbank, de bestuurder en de holding beoogd om door de verkoop de beschikbaarheid van de productiemiddelen van de failliet veilig te stellen (aan de boedel te onttrekken). Door de verkoop van die zaken aan de holding kreeg de holding de mogelijkheid de koopprijs te verrekenen zonder daarvoor concrete financiële middelen te gebruiken, waardoor in de boedel geen voor verhaal vatbaar actief in de plaats van het verkochte kwam.

Het gerechtshof was het eens met de rechtbank en stelde dat de omstandigheid dat een faillissement pas na langere tijd volgt, niet uitsluit dat een rechtshandeling tussen de latere failliet en zijn wederpartij is verricht "in het zicht van een naderend faillissement" of, anders gezegd, te kwader trouw, in de wetenschap dat benadeling van de schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn (zogenaamde Pauliana) en/of met de intentie van de wederpartij om zichzelf ten nadele van de andere schuldeisers te bevoordelen.

Het gerechtshof zag in dit geval geen ander motief voor de verkoop dan de wens om de verkochte zaken buiten een duidelijk te verwachten faillissement te houden en deze ten goede te doen komen aan de holding tegen verrekening van een vordering die gezien de financiële situatie niet te incasseren was. De holding was door de verrekening als enige schuldeiser betaald, terwijl de overige schuldeisers met lege handen achterbleven.

Dus u dient goed in de gaten te houden dat verrekening voor faillissement in beginsel wel is toegestaan, doch het kan de nodige haken en ogen hebben! Laat u derhalve in een vroegtijdig stadium juridisch voorlichten.