Intimidatie: werkneemster versus werkgever
De werkneemster, 21 jaar oud, is in dienst getreden bij een klein bedrijfje, waar zij laatstelijk als horecamedewerkster werkzaam was. Daarnaast verrichtte zij schoonmaakwerkzaamheden bij de eigenaar/werkgever thuis. De werkneemster heeft twee maanden bij de werkgever en diens echtgenote gewoond omdat zij een tijd geen woning had.
Na een functioneringsgesprek heeft werkneemster de werkgever beticht van seksuele intimidatie. De werkgever zou een grap hebben gemaakt over bij hem thuis met hem naar bed te gaan. Hierop heeft werkgever gereageerd en aangegeven dat juist de werkneemster zich vanaf het begin uitdagend heeft opgesteld, zowel naar de werkgever als haar mannelijke collega’s, dat zij eerder vijf collega’s van seksuele intimidatie heeft beticht alsook haar vorige werkgever, haar huisbaas en haar rij-instructeur. De eigenaar zou inderdaad wel eens grapjes hebben gemaakt, maar dat gebeurde van beide kanten in vriendschappelijke sfeer.
De werkneemster heeft zich vervolgens ziek gemeld en verzoekt bij de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding.
De kantonrechter oordeelt vervolgens dat beoordeeld moet worden of de werkneemster de grap van de eigenaar als intimiderend heeft ervaren. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt de rechter dat vast is komen te staan dat de werkneemster het onderwerp seks niet schuwt, gelet op de wijze waarop zij zich op het werk heeft gedragen. In dit verband verdient opmerking dat zij grof taalgebruik bezigt en zelf veelvuldig het onderwerp seks aansnijdt. Ook is hierbij van belang dat de werkneemster op enig moment een houten asbak mee naar het werk nam met daarop een fallus van formaat.
Verder is gebleken dat de werkneemster nimmer aanstoot heeft genomen aan de grap van de werkgever en daar nooit over heeft geklaagd totdat in het functioneringsgesprek kritiek op haar functioneren werd geuit. Pas na dit gesprek is de werkneemster met kritiek op de werkgever gekomen.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geacht dat de grap van de werkgever tot verstoring van de arbeidsrelatie heeft geleid, maar is geoordeeld dat deze verstoring het gevolg is van de wijze waarop de werkneemster op het functioneringsgesprek heeft gereageerd. Dit heeft ertoe geleid dat bij de ontbinding geen vergoeding is toegekend.
Na een functioneringsgesprek heeft werkneemster de werkgever beticht van seksuele intimidatie. De werkgever zou een grap hebben gemaakt over bij hem thuis met hem naar bed te gaan. Hierop heeft werkgever gereageerd en aangegeven dat juist de werkneemster zich vanaf het begin uitdagend heeft opgesteld, zowel naar de werkgever als haar mannelijke collega’s, dat zij eerder vijf collega’s van seksuele intimidatie heeft beticht alsook haar vorige werkgever, haar huisbaas en haar rij-instructeur. De eigenaar zou inderdaad wel eens grapjes hebben gemaakt, maar dat gebeurde van beide kanten in vriendschappelijke sfeer.
De werkneemster heeft zich vervolgens ziek gemeld en verzoekt bij de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding.
De kantonrechter oordeelt vervolgens dat beoordeeld moet worden of de werkneemster de grap van de eigenaar als intimiderend heeft ervaren. De kantonrechter meent dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt de rechter dat vast is komen te staan dat de werkneemster het onderwerp seks niet schuwt, gelet op de wijze waarop zij zich op het werk heeft gedragen. In dit verband verdient opmerking dat zij grof taalgebruik bezigt en zelf veelvuldig het onderwerp seks aansnijdt. Ook is hierbij van belang dat de werkneemster op enig moment een houten asbak mee naar het werk nam met daarop een fallus van formaat.
Verder is gebleken dat de werkneemster nimmer aanstoot heeft genomen aan de grap van de werkgever en daar nooit over heeft geklaagd totdat in het functioneringsgesprek kritiek op haar functioneren werd geuit. Pas na dit gesprek is de werkneemster met kritiek op de werkgever gekomen.
Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geacht dat de grap van de werkgever tot verstoring van de arbeidsrelatie heeft geleid, maar is geoordeeld dat deze verstoring het gevolg is van de wijze waarop de werkneemster op het functioneringsgesprek heeft gereageerd. Dit heeft ertoe geleid dat bij de ontbinding geen vergoeding is toegekend.