Case: Ontslag op staande voet

In deze case kijken we naar een kortgeding procedure.

Een werkgever (een klant van De Raadgevers) heeft een werknemer op staande voet ontslagen wegens werkweigering. De werknemer heeft tegen dit ontslag geprotesteerd.

 

De beginsituatie

De werknemer had eerst een eigen bedrijf. Zijn aandelen verkocht hij aan zijn nieuwe werkgever en kwam tevens bij haar in dienst. Al vrij snel na de overname bleek dat de werknemer een eigen koers voer en zich weinig tot niets van de werkgever aan trok. Dit leidde direct al tot confrontaties.

 

Ontslag op staande voet

Op een werkdag om 11:00 uur belde de werkgever de werknemer met het verzoek om naar Eindhoven te gaan om werkzaamheden te verrichten. Werknemer gaf aan dat hij aan deze oproep geen gehoor kon geven, omdat hij ’s avonds uit eten ging in Rotterdam. De werkgever keurde dit af en belde kort daarop nogmaals de werknemer met het dringende verzoek om toch naar Eindhoven te gaan. De werknemer weigerde opnieuw. De werkgever wees de werknemer op de consequentie van deze werkweigering, namelijk ontslag. Ondanks deze waarschuwing voldeed de werknemer niet aan de oproep. Deze halsstarrige houding is door de werkgever opgevat als dringende reden voor ontslag op staande voet.

 

Juridisch advies omtrent ontslag op staande voet

De werknemer startte een ‘kennelijk onredelijk ontslag procedure’ tegen de werkgever. In deze procedure heeft de werkgever zich laten bijstaan door De Raadgevers, als zijnde ontslagspecialisten, voor juridisch advies tegen dit ontslag. De werknemer voerde aan dat er geen dringende reden was, omdat hij op geen enkel moment om advies was gevraagd en een service-deskmedewerker uiteindelijk het probleem heeft opgelost. Verder is de werkgever volgens hem onzorgvuldig te werk gegaan bij het ontslag. Zij heeft de werknemer niet gehoord en niet in staat gesteld rustig uit te leggen wat er aan de hand was. Hij was slechts opgebeld en ontslagen.

 

Oordeel

Naar oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever aan haar werknemer een redelijke opdracht gegeven en de werknemer de kans gegeven om op zijn beslissing terug te komen. De reactie van de werknemer was ongepast. Bovendien zat er meer dan zeven uur tussen het etentje en de opdracht. Op het argument van de werknemer dat de opdracht niet  dringend was stelt de kantonrechter dat de werknemer dit niet vooraf had kunnen beoordelen nu hij niet ter plaatse was geweest. De kantonrechter was van mening dat gelet op het bovenstaande het ontslag op staande voet in een bodemprocedure stand zal houden, waardoor het ontslag op staande voet gehandhaafd blijft.